ECLI:NL:CRVB:2019:2503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet tijdig aanleveren bankafschriften
In deze zaak gaat het om de intrekking van bijstand met ingang van 15 juni 2017 na een eerdere opschorting per diezelfde datum. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft de bijstand ingetrokken omdat appellant niet binnen de gestelde hersteltermijn de gevraagde gegevens, waaronder bankafschriften, heeft verstrekt.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelt of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet bevoegd was tot intrekking. Vaststaat dat appellant de gevraagde gegevens niet tijdig heeft aangeleverd, dat deze gegevens van belang zijn voor de verlening van bijstand en dat appellant redelijkerwijs over deze stukken kon beschikken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt, ondanks zijn stelling van een burn-out.
Het hoger beroep betoogt dat het college geen belangenafweging heeft gemaakt, maar de Raad oordeelt dat zonder de gevraagde gegevens het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en het college daarom de medewerkingsverplichting van appellant voorop mocht stellen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet tijdig aanleveren van bankafschriften wordt bevestigd.