Uitspraak
16.7315 AOW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 mei 2019 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf mei 2015 een AOW-pensioen, dat later werd herzien naar 86% van het maximale pensioen vanwege schuldig nalatigheid bij het betalen van premies over de jaren 1995-1999 en 2002. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze herziening ongegrond, omdat de schuldig nalatig-verklaringen rechtens onaantastbaar waren en een korting van 2% per jaar volgens artikel 13 AOW Pro verplicht was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat vanwege een succesvol afgerond schuldsaneringstraject de korting niet passend was. De Raad oordeelde echter dat dit niet relevant was, omdat de schuldsanering de vorderingen van de Belastingdienst die tot de nalatigheid leidden niet omvatte. Tevens werd niet aannemelijk gemaakt dat er dringende redenen waren om af te zien van herziening volgens artikel 17a AOW.
De Raad nam ook een besluit van 24 mei 2019 mee, waarin het verzoek van appellant om terug te komen op de schuldig nalatig-verklaringen werd afgewezen. Gezien de ambtshalve vastgestelde aanslagen en het niet betalen van premies, werd bevestigd dat appellant schuldig nalatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de korting op het AOW-pensioen blijft gehandhaafd.
Uitkomst: De korting van 12% op het AOW-pensioen wegens schuldig nalatig betalen van premies wordt bevestigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.