Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:2587

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juli 2019
Publicatiedatum
2 augustus 2019
Zaaknummer
17/4618 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22a PWArt. 19a PWArt. 18 PWArt. 8:57 AwbArtikel 1 Eerste Protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing kostendelersnorm bij bijstand ondanks arbeidsongeschiktheid

Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en woont op hetzelfde adres als haar zoon, die op 19 maart 2016 de leeftijd van 21 jaar bereikte. Het college van burgemeester en wethouders van Hilversum paste de kostendelersnorm toe, waardoor de bijstand van appellante werd verlaagd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet kan werken en dat toepassing van de kostendelersnorm daarom onrechtvaardig is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het eigendomsrecht zoals beschermd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Tevens stelde zij dat het college onvoldoende had onderzocht of een individuele afstemming van de bijstand op grond van zeer bijzondere omstandigheden mogelijk was.

De Raad oordeelde dat de kostendelersnorm wettelijk is voorgeschreven en ook geldt voor personen die niet kunnen werken. Het gelijkheidsbeginsel wordt niet geschonden omdat de norm ook geldt voor bijstandsgerechtigden die wel kunnen werken. De stelling dat de norm een onevenredige last vormt is onvoldoende onderbouwd. Daarnaast zijn zeer bijzondere omstandigheden vereist voor individuele afstemming, welke appellante niet aannemelijk heeft gemaakt. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de kostendelersnorm van toepassing blijft en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

17.4618 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 mei 2017, 16/5675 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (college)
Datum uitspraak: 30 juli 2019
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. Maachi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). Appellante is op hetzelfde adres ingeschreven in de basisregistratie personen als haar zoon, geboren op 19 maart 1995.
1.2.
Bij besluit van 22 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 november 2016 (bestreden besluit), heeft het college met ingang van 19 maart 2016 de hoogte van de bijstand van appellante met toepassing van artikel 22a, eerste lid, van de PW vastgesteld op € 694,79 per maand. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat haar zoon op 19 maart 2016 de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, dat vanaf dat moment de kostendelersnorm op haar van toepassing is en dat haar zoon als kostendelende medebewoner wordt aangemerkt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 22a, eerste lid, van de PW, is op de belanghebbende van 21 jaar of ouder de kostendelersnorm van toepassing indien de belanghebbende één of meer kostendelende medebewoners heeft.
4.2.
Op grond van artikel 19a, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.
4.3.
Niet in geschil is dat appellante in dezelfde woning haar hoofdverblijf heeft als haar zoon en dat haar zoon als kostendelende medebewoner moet worden aangemerkt.
4.4.
Appellante heeft aangevoerd dat zij niet in staat is te werken en dat de kostendelersnorm in haar geval buiten toepassing moet worden gelaten, omdat toepassing van de kostendelersnorm op personen die niet kunnen werken in strijd is met het doel van de PW. Deze beroepsgronden slagen niet gelet op het volgende.
4.5.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3875) heeft de wetgever met de introductie van de kostendelersnorm beoogd dat bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm direct rekening wordt gehouden met de voordelen van het kunnen delen van de kosten met één of meer personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 3 tot en met 8). Door invoering van de kostendelersnorm blijft volgens de wetgever de vangnetfunctie van de bijstand gewaarborgd, blijft een individueel recht op bijstand behouden, blijft het lonend om te werken en wordt een bijdrage geleverd om de schatkist van de overheid op orde te brengen.
4.6.
De rechtbank heeft, gelet op 4.5, terecht overwogen dat het feit dat appellante niet in staat is om te werken, wat daar ook van zij, niet maakt dat de kostendelersnorm buiten toepassing moet blijven. Het lonend blijven van werken is niet het enige en zeker ook niet het belangrijkste doel dat de wetgever met de invoering van de kostendelersnorm heeft beoogd. Vergelijk de uitspraak van 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3290.
4.7.
Verder heeft appellante aangevoerd dat de toepassing van de kostendelersnorm in strijd is met het gelijkheidsbeginsel omdat appellante anders behandeld wordt dan personen die bijstand ontvangen en die wel in staat zijn om te werken. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Toepassing van de kostendelersnorm vindt ook plaats bij bijstandsgerechtigden die in staat zijn om te werken. Dat deze personen de mogelijkheid hebben om uit de bijstand te geraken door te werken en inkomsten te genereren, maakt niet dat appellante voor toepassing van de PW anders wordt behandeld.
4.8.
De beroepsgrond dat de nadelige gevolgen van de toepassing van de kostendelersnorm onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen treft geen doel, omdat de toepassing van de kostendelersnorm dwingendrechtelijk van aard is zodat er geen ruimte is voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb. Vergelijk de uitspraak van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3869.
4.9.
Appellante heeft verder aangevoerd dat de toepassing van de kostendelersnorm in strijd is met het in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden beschermde recht op ongestoord eigendom omdat zij door de inmenging onevenredig zwaar wordt belast. De kostendelersnorm geldt immers ook voor haar, terwijl zij niet in staat is om te werken. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.9.1.
Zoals de Raad vaker heeft overwogen (uitspraak van 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1254) is bij de toepassing van de kostendelersnorm weliswaar sprake van inmenging in het eigendomsrecht, maar is deze inmenging bij wet voorzien en ligt daaraan een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag. Om de vraag te beantwoorden of sprake is van een, voor een gerechtvaardigde inmenging in het eigendomsrecht vereist, proportioneel middel, dan wel of toepassing van de kostendelersnorm tot een buitensporig zware last leidt, is een individuele beoordeling noodzakelijk.
4.9.2.
Appellante heeft volstaan met de enkele stelling dat zij door de inmenging in het eigendomsrecht onevenredig zwaar wordt belast en heeft deze stelling niet met nadere feiten en zo nodig met stukken onderbouwd. Daarom is niet duidelijk geworden waarom in haar geval sprake is van een onevenredig zware last. Het enkele feit dat zij niet kan werken is hiervoor onvoldoende.
4.10.
Appellante heeft tot slot aangevoerd dat het college onvoldoende heeft onderzocht of er aanleiding was om de bijstand met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW af te stemmen, aangezien het college op de hoogte was van de medische situatie van haar zoon en zij niet kan rondkomen van de bijstand. Appellante heeft aangevoerd dat zij nog een overzicht zal overleggen aangaande haar vaste lasten ter onderbouwing van haar stelling dat haar persoonlijke situatie moet leiden tot meer bijstand.
4.10.1.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492) is voor een individuele afstemming in de vorm van een verlaging dan wel een verhoging van de bijstand slechts plaats in zeer bijzondere situaties. Het is aan degene die zich beroept op deze afstemming om de zeer bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken (uitspraak 1 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1344). De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellante haar stelling dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden onvoldoende heeft onderbouwd en dat er geen aanleiding was voor het college om met toepassing van artikel 18 van Pro de PW de bijstand af te stemmen. Appellante heeft ook in hoger beroep de zeer bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld niet aannemelijk gemaakt. Appellante heeft het door haar aangekondigde overzicht aangaande haar vaste lasten, waaruit zou blijken dat haar persoonlijke situatie moet leiden tot meer bijstand, niet overgelegd. De in 4.10 weergegeven beroepsgrond slaagt dan ook niet.
4.11.
Uit 4.3 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van
R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2019.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) R.B.E. van Nimwegen