ECLI:NL:CRVB:2019:2609
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- P.W. van Straalen
- W.F. Claessens
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande en huurde een kamer van V, met medegebruik van voorzieningen. Na een periodiek heronderzoek stelde het college vast dat appellante en V een gezamenlijke huishouding voerden, hetgeen niet was gemeld. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 14 juni 2014 tot 31 mei 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de wederzijdse zorg slechts incidenteel was en dat uit een eerder onderzoek in 2012 geen gezamenlijke huishouding bleek. De Raad stelt dat gezamenlijke huishouding objectief wordt beoordeeld aan de hand van hoofdverblijf en wederzijdse zorg, waarbij motieven en relatie niet relevant zijn.
De Raad oordeelt dat appellante en V gedurende de periode hun hoofdverblijf deelden en dat er sprake was van wederzijdse zorg, onder meer door gezamenlijke huishoudelijke taken, verzorging na een operatie, en financiële bijdragen zoals het betalen van een telefoonabonnement. Dit wijkt af van de situatie in 2012, en appellante had de wijziging moeten melden. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.