ECLI:NL:CRVB:2019:2617
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.S. de Vries
- R.M. van Male
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking persoonsgebonden budget wegens ontbrekende wettelijke grondslag
Appellante ontving voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van het zorgkantoor. Het zorgkantoor trok het pgb met terugwerkende kracht in wegens het niet indienen van een verantwoordingsformulier en vorderde het betaalde bedrag terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat het zorgkantoor ten onrechte het pgb had ingetrokken, omdat de verplichting tot overlegging van bepaalde stukken pas na de hoorzitting was opgelegd. De Raad oordeelde dat het zorgkantoor appellante pas vanaf 24 december 2014 verplichtte tot overlegging van aanvullende stukken, terwijl het besluit van 14 november 2014 deze verplichting met terugwerkende kracht toepaste.
Hierdoor ontbrak een deugdelijke wettelijke grondslag voor het besluit tot intrekking van het pgb. De Raad vernietigde het bestreden besluit en het besluit van 14 november 2014, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde het zorgkantoor in de kosten van appellante. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van het persoonsgebonden budget wordt vernietigd wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag.