ECLI:NL:CRVB:2019:2639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering
Appellant had een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen op grond van de Wet WIA, waarbij de arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 100%. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant vanaf 13 november 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 8 november 2017. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond.
Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid stelde het UWV vast dat geen herleving van het WIA-recht plaatsvond, maar verklaarde het bezwaar tegen dit besluit later gegrond en kende een WGA-loonaanvullingsuitkering toe vanaf 8 november 2017. Het UWV gaf aan dat de loongerelateerde uitkering feitelijk tot 8 november 2017 was verstrekt, ondanks een eerdere foutieve datum in het besluit.
De Raad overwoog dat procesbelang ontbreekt indien het resultaat dat appellant nastreeft reeds is bereikt. Nu appellant met het bezwaar tegen het latere besluit al heeft bereikt wat hij met het hoger beroep wilde, namelijk voortzetting van de uitkering, is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De inhoudelijke gronden over de mate van arbeidsongeschiktheid werden niet inhoudelijk behandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.