ECLI:NL:CRVB:2019:2658
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld na beoordeling arbeidsvermogen en medische beperkingen
Appellant, laatst werkzaam als visverkoper, meldde zich ziek met rug- en nekklachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling concludeerde een verzekeringsarts dat appellant lichte beperkingen had, vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige stelde vast dat appellant nog 100% van zijn maatmaninkomen kon verdienen via passende functies.
Het UWV beëindigde het ziekengeld per 24 april 2016. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreef de eerdere bevindingen en ook de arbeidsdeskundige bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn nek- en psychische klachten. De Raad oordeelde echter dat de FML adequaat rekening hield met deze klachten en dat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die tot een ander oordeel zouden leiden. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat appellant niet verdergaand beperkt is dan reeds vastgesteld en dat het UWV het besluit tot beëindiging van het ziekengeld terecht heeft genomen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van het ziekengeld omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.