ECLI:NL:CRVB:2019:2666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag individuele inkomenstoeslag wegens onvoldoende langdurig laag inkomen
Appellante, een alleenstaande ouder die in 2014 een WAO-uitkering ontving en als zelfstandig rijschoolhouder begon, vroeg een individuele inkomenstoeslag aan op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk wees deze aanvraag af omdat appellante geen langdurig laag inkomen had, wat door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep stelde appellante dat het college ten onrechte geen rekening had gehouden met haar negatief inkomen uit onderneming en de startersaftrek en zelfstandigenaftrek, zoals vastgesteld door de Belastingdienst. De Raad oordeelde echter dat de Participatiewet en de gemeentelijke verordening geen ruimte bieden voor verrekening van negatief ondernemersinkomen met positief inkomen uit dienstbetrekking of voor aftrekposten.
Verder stelde het college dat appellante in verschillende maanden van 2014 een netto-inkomen had boven de bijstandsnorm, mede door WAO-uitkering, toeslag, inkomen uit dienstbetrekking, alimentatie en alleenstaande ouderkorting. De Raad vond dit juist en bevestigde dat appellante geen langdurig laag inkomen had gedurende de referteperiode van 36 maanden.
De Raad verwierp ook het betoog dat het onredelijk was om het inkomen per maand te beoordelen. Volgens vaste rechtspraak is het passend om de inkomenssituatie per maand te bezien bij de vaststelling van langdurig laag inkomen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag wordt afgewezen omdat appellante geen langdurig laag inkomen had in de referteperiode.