ECLI:NL:CRVB:2019:270
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van lager vastgesteld en teruggevorderd persoonsgebonden budget wegens niet-naleving verantwoording AWBZ
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen uitspraken van de rechtbank Rotterdam waarin het zorgkantoor het pgb voor AWBZ-zorg over 2014 lager had vastgesteld en een deel teruggevorderd wegens onvoldoende verantwoording.
Het zorgkantoor had vastgesteld dat bepaalde activiteiten van de zorgverlener niet als begeleiding in de zin van artikel 6 van Pro het Besluit zorgaanspraken AWBZ konden worden aangemerkt, waardoor het pgb werd verlaagd. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
In hoger beroep erkent appellante dat activiteiten gericht op het vergroten van het sociale netwerk wel als begeleiding gelden, maar betwist de vastgestelde uren. De Raad oordeelt dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat meer uren AWBZ-zorg zijn geleverd dan vastgesteld. De belangenafweging van het zorgkantoor is niet onredelijk en de terugvordering is gerechtvaardigd.
Het hoger beroep tegen de eerste uitspraak wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang, en het hoger beroep tegen de tweede uitspraak wordt afgewezen. De Centrale Raad bevestigt daarmee het lagere besluit van het zorgkantoor.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de eerste uitspraak is niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep tegen de tweede uitspraak is afgewezen; het pgb is terecht lager vastgesteld en teruggevorderd.