ECLI:NL:CRVB:2019:272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Heropening WIA-uitkering na detentie terecht afgewezen wegens onvoldoende medische grond voor verdere urenbeperking
Appellant ontving een WIA-uitkering die werd beëindigd vanwege detentie. Na zijn vrijlating verzocht hij om heropening van de uitkering, maar het UWV wees dit af omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar kende het UWV een WGA-vervolguitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 58,65%, gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waarin een maximale werkduur van 32 uur per week werd vastgesteld.
Appellant stelde zich volledig arbeidsongeschikt en vorderde een verdere urenbeperking vanwege risico op impulsdoorbraken. De rechtbank vernietigde het UWV-besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de medische beperkingen in de FML juist waren vastgesteld en dat onvoldoende medische gronden bestonden voor een verdere beperking van werktijden. De verzekeringsarts legde uit dat impulsdoorbraken niet verminderen door minder uren te werken, maar door aangepaste werkomstandigheden.
De Raad wees het verzoek tot benoeming van een deskundige af en oordeelde dat de geduide functies medisch geschikt zijn. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep van appellant werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de heropening van de WIA-uitkering terecht is afgewezen wegens onvoldoende medische grond voor een verdere urenbeperking.