ECLI:NL:CRVB:2019:273
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellante was pedagogisch medewerkster en meldde zich op 10 november 2011 ziek met psychische en lichamelijke klachten. Zij ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet en werd per 3 juni 2013 geschikt geacht voor haar laatst verrichte arbeid. In februari 2014 meldde zij zich opnieuw ziek met klachten aan het bewegingsapparaat en psychische klachten. Een verzekeringsarts stelde in november 2015 vast dat haar belastbaarheid ongewijzigd was en een arbeidsdeskundige selecteerde drie passende functies waarmee zij 66,36% van haar maatmaninkomen kon verdienen.
Het UWV besloot daarom per 31 januari 2016 het recht op ziekengeld te beëindigen. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat zij niet geschikt zou zijn voor de geselecteerde functies. Medische stukken van een revalidatiearts en GGZ-behandelaars betroffen echter een latere periode en gaven geen aanleiding tot twijfel.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de functionele mogelijkheden juist waren vastgesteld. De arbeidsdeskundige had de geschiktheid voor de functies toereikend gemotiveerd. Er was geen grond voor een urenbeperking of andere beperkingen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het recht op ziekengeld per 31 januari 2016 wordt bevestigd als beëindigd.