ECLI:NL:CRVB:2019:2758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellante, voormalig docent verpleegkunde, meldde zich ziek met knie- en psychische klachten. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 1 december 2014 meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waardoor haar ZW-uitkering per 26 maart 2015 werd beëindigd. Zowel de primaire als bezwaarverzekeringsarts stelden beperkingen vast in functionele mogelijkhedenlijsten (FML), waarop arbeidsdeskundigen geschikte functies baseerden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen werden onderschat en diende nieuwe medische stukken in. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat deze stukken geen aanleiding gaven tot wijziging van het oordeel.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geduide functies medisch passend waren en dat appellante per 26 maart 2015 in staat was ten minste 65% van haar maatmaninkomen te verdienen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd per 26 maart 2015.