Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:2770

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 augustus 2019
Publicatiedatum
21 augustus 2019
Zaaknummer
18/1744 WWAJ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening in sociale zekerheidszaak wegens ontbreken nieuwe feiten

Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek om herziening ingediend tegen de uitspraak van 1 maart 2018, waarin haar beroep tegen een beslissing van het UWV werd afgewezen. De Raad bevestigde eerder dat er onvoldoende medische gegevens beschikbaar waren over de belastbaarheid van verzoekster rond haar 17e/18e levensjaar.

Verzoekster stelde dat zij op basis van nieuwe informatie wel recht zou hebben op een uitkering. Het UWV betoogde dat deze informatie niet voldeed aan de voorwaarden voor herziening zoals gesteld in artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad overwoog dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak, maar slechts voor het herstellen van een uitspraak die berust op naderhand onjuist gebleken feiten. Verzoekster bracht geen nieuwe feiten of omstandigheden aan die redelijkerwijs niet bekend konden zijn en die tot een andere uitspraak zouden leiden.

Daarom werd het verzoek om herziening afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

18.1744 WWAJ

Datum uitspraak: 21 augustus 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 1 maart 2018, 17/4906 WWAJ
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft gevraagd om herziening van de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad van 1 maart 2018, 17/4906 WWAJ (ECLI:NL:CRVB:2018:684).
Het Uwv heeft op dat verzoek een reactie gegeven.
Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 10 juli 2019. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door [X.], dochter van verzoekster. Het Uwv heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.1.
Bij de uitspraak van 1 maart 2018 waarvan herziening wordt verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juni 2017, 16/5298, bevestigd. Bij die uitspraak heeft de rechtbank Midden-Nederland het beroep van verzoekster tegen een beslissing op bezwaar van 30 september 2016 ongegrond verklaard. Hierbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om de belastbaarheid van verzoekster rond het 17e/18e levensjaar te kunnen vaststellen.
2.2.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 1 maart 2018 vastgesteld dat in het dossier geen medische informatie voorhanden is die ziet op de periode rond het 17e/18e levensjaar van verzoekster. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111) heeft de Raad overwogen dat de omstandigheid dat verzoekster geen medische informatie heeft kunnen overleggen over de periode in geding voor haar risico komt.
3.1.
Bij verzoekschrift van 26 maart 2018 heeft verzoekster, onder overlegging van diverse stukken, aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met de uitspraak van de Raad van 1 maart 2018. Op basis van de door verzoekster overgelegde informatie is zij van mening dat zij wel in aanmerking dient te komen voor een uitkering.
3.2.
In zijn reactie van 30 april 2018 heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat wat verzoekster in haar verzoekschrift heeft aangevoerd, niet voldoet aan de voorwaarden als neergelegd in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1615) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden. Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
4.2.
Verzoekster heeft geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb naar voren gebracht. De door verzoekster overgelegde verklaringen die nog niet eerder waren ingebracht bevatten geen medisch onderbouwde, nog niet bekende informatie over de periode hier in geding. De door verzoekster overgelegde overige medische informatie was reeds voorafgaand aan de uitspraak van de Raad van 1 maart 2018 bekend. De Raad heeft daarover in die uitspraak reeds een oordeel gegeven. Verzoekster trekt in feite de juistheid van de uitspraak van de Raad in twijfel. Uit wat in 4.1 is overwogen, volgt dat het middel van herziening daar niet toe kan strekken. Het verzoek om herziening zal daarom worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2019.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) C.I. Heijkoop

VC