ECLI:NL:CRVB:2019:2783
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening arbeidsongeschiktheidspercentage en toekenning IVA-uitkering na bezwaar en beroep
Appellant, werkzaam als heftruckchauffeur, meldde zich ziek in verband met klachten aan het bewegingsapparaat en andere aandoeningen. Het UWV kende hem aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe, waarbij zijn arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 67,28% op basis van een hoger vastgesteld opleidingsniveau.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn arbeidsongeschiktheid duurzaam volledig was en dat het opleidingsniveau ten onrechte was verhoogd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep volgde een andere lijn.
De Raad oordeelde dat het UWV in bezwaar terecht ook de arbeidskundige beoordeling heeft heroverwogen, maar stelde vast dat het opleidingsniveau van appellant niet hoger dan niveau 1 kon worden vastgesteld. Hierdoor zijn de in bezwaar geselecteerde functies niet geschikt voor appellant, wat leidt tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%.
De medische beoordeling bevestigde dat de beperkingen duurzaam zijn en dat verbetering niet redelijk verwacht kan worden. De Raad vernietigde het eerdere besluit en stelde vast dat appellant recht heeft op een IVA-uitkering vanaf 4 maart 2016. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Appellant heeft vanaf 4 maart 2016 recht op een IVA-uitkering wegens duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.