Uitspraak
18.3902 WLZ
CAK
OVERWEGINGEN
zak- en kleedgeldniveau.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1935, verblijft sinds juli 2017 in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en is maandelijks een eigen bijdrage verschuldigd. Het CAK stelde deze bijdrage vast op €160,60 en weigerde kwijtschelding, omdat het inkomen van appellante te hoog zou zijn voor vrijstelling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de regeling dwingendrechtelijk is en geen ruimte biedt voor individuele afwijkingen, en dat er geen strijd is met het EVRM.
In hoger beroep betoogde appellante dat de strikte toepassing van de regeling leidt tot een besteedbaar inkomen onder het zak- en kleedgeldniveau, hetgeen niet de bedoeling van de wetgever is. Zij stelde dat dit een bijzonder geval vormt waarin het ongeschreven recht een rechtsplicht uitsluit en dat er strijd is met het EVRM.
De Raad oordeelt dat hoewel de regeling dwingendrechtelijk en limitatief is, er geen sprake is van een bijzonder geval dat rechtvaardigt hiervan af te wijken. Wel acht de Raad een redelijke uitleg van wet- en regelgeving noodzakelijk, waarbij het niet in overeenstemming is om appellante kwijtschelding van dat deel van de eigen bijdrage te onthouden dat haar besteedbaar inkomen onder het zak- en kleedgeldniveau brengt.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het CAK, en draagt het CAK op een nieuw besluit te nemen waarbij een zodanig deel van de eigen bijdrage wordt kwijtgescholden dat appellante een besteedbaar maandinkomen behoudt op zak- en kleedgeldniveau. Tevens veroordeelt de Raad het CAK in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het CAK wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij appellante een besteedbaar inkomen behoudt op zak- en kleedgeldniveau.