ECLI:NL:CRVB:2019:2815
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening voor extra jeugdhulp in de vorm van pgb
Verzoeker vroeg om een voorlopige voorziening om een persoonsgebonden budget (pgb) te verkrijgen voor extra jeugdhulp naast de reeds verleende hulp. De rechtbank had het eerdere besluit van het college vernietigd vanwege onvoldoende concrete onderbouwing van de hulpvraag en eigen mogelijkheden van de ouders. Het college handhaafde het bezwaar en wees het verzoek opnieuw af.
De voorzieningenrechter overwoog dat bij financiële aanspraken een hoge mate van waarschijnlijkheid vereist is dat de Raad in de hoofdzaak het verzoek zal toewijzen. Dit was onvoldoende aannemelijk. De moeder van verzoeker had maatregelen genomen door tijdelijk minder te gaan werken om zelf de hulp te kunnen bieden, en er was geen onhoudbare situatie vastgesteld.
Ook werd meegewogen dat als de voorziening toch zou worden toegekend en het besluit in de bodemzaak in stand zou blijven, verzoeker de kosten zou moeten terugbetalen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor een extra pgb voor jeugdhulp is afgewezen vanwege onvoldoende aannemelijkheid en voldoende eigen mogelijkheden van de ouders.