ECLI:NL:CRVB:2019:2849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoorwaardelijk strafontslag wegens privégebruik dienstauto en plichtsverzuim
Appellant was sinds 2004 werkzaam bij een onderdeel van de overheid en werd in 2016 onvoorwaardelijk strafontslag gegeven wegens plichtsverzuim. Het plichtsverzuim betrof voornamelijk het privégebruik van de dienstauto over een langere periode, waarbij minstens 6350 privékilometers werden gereden. Andere gedragingen zoals dubbel declareren van parkeerkosten, privé-naslag RDW en gebruik van zakelijke internetvoorziening werden niet als plichtsverzuim aangemerkt.
De rechtbank had het beroep tegen het ontslag deels gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor meerdere gedragingen, maar de Raad oordeelde dat alleen het privégebruik van de dienstauto plichtsverzuim oplevert. Appellant erkende dat zijn partner de dienstauto privé gebruikte, wat volgens de geldende regels verboden is.
De Raad overwoog dat gezien de aard en ernst van het plichtsverzuim, en de hoge eisen aan betrouwbaarheid en integriteit in de operationele functie van appellant, het onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is. Andere gedragingen werden niet als plichtsverzuim aangemerkt vanwege onvoldoende bewijs of omdat het ging om onjuiste taakvervulling.
Het hoger beroep van appellant werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het onvoorwaardelijk strafontslag wegens privégebruik van de dienstauto wordt bevestigd.