ECLI:NL:CRVB:2019:2851

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 augustus 2019
Publicatiedatum
29 augustus 2019
Zaaknummer
18/129 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24a AOWArt. 17i AOWArt. 8:75 AwbArt. 4:93 AwbWet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verrekening proceskostenvergoeding met onverschuldigde AOW-vordering door Sociale Verzekeringsbank

De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarin de Svb de proceskostenvergoeding en het griffierecht verrekent met een nog openstaande vordering wegens onverschuldigde AOW-betalingen.

De Svb had eerder aan appellant een boete en terugvordering opgelegd wegens onverschuldigde betalingen. De rechtbank had het bezwaar deels vernietigd en de Svb veroordeeld tot een proceskostenvergoeding. De Svb besloot deze vergoeding niet uit te betalen, maar te verrekenen met de openstaande vordering. Appellant betoogde dat hiervoor geen wettelijke grondslag bestond en dat de vergoeding aan zijn rechtsbijstandverlener betaald moest worden.

De Raad oordeelt dat artikel 24a van de AOW een wettelijke grondslag biedt voor deze verrekening, mede op grond van de wijziging in artikel 17i AOW en de toelichting daarbij. Ook het argument dat de vergoeding aan de rechtsbijstandverlener betaald moet worden, faalt omdat de verrekening feitelijk voorgaat op betaling aan derden.

De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Sociale Verzekeringsbank proceskosten en griffierecht mag verrekenen met de openstaande vordering uit onverschuldigde AOW-betalingen.

Uitspraak

18.129 AOW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
15 december 2017, 17/4758 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Turkije (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 29 augustus 2019
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2019. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij afzonderlijke besluiten van 23 april 2015 heeft de Svb aan appellant een boete opgelegd van € 1.230,- en een bedrag ter hoogte van € 9.656,58 aan onverschuldigd betaald pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) terug- en ingevorderd. Bij beslissing op bezwaar van 5 april 2016 heeft de Svb de bezwaren van appellant tegen die besluiten ongegrond verklaard. In de daarop gevolgde procedure heeft de rechtbank bij uitspraak van 14 februari 2017 (16/4080) uitspraak gedaan, waarbij het besluit van 5 april 2016 gedeeltelijk is vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Daarbij is de Svb veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 541,- in totaal, bestaande uit proceskosten (€ 495,-) en griffierecht (€ 46,-).
1.2.
Bij besluit van 9 maart 2017 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat het bedrag van
€ 541,- niet aan appellant of zijn gemachtigde wordt uitbetaald, maar wordt verrekend met het nog niet volledig aan de Svb terugbetaalde bedrag van € 9.656,58. Het bezwaar tegen dit besluit is door de Svb bij beslissing op bezwaar van 10 augustus 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep is door appellant − samengevat − betoogd dat de Svb ten onrechte de aan hem toegekende vergoeding van proceskosten en griffierecht heeft verrekend met een vordering die de Svb nog op hem had, omdat hiertoe een wettelijke grondslag ontbreekt. Volgens appellant heeft artikel 17i van de AOW betrekking op de verrekening van de boete en is er in de AOW geen bepaling opgenomen die de verrekening van de (proces)kostenvergoeding met een vordering van appellant mogelijk maken. Bovendien is op basis van een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand geprocedeerd en is de Svb op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht het bedrag van de proceskostenvergoeding te betalen aan de rechtsbijstandverlener.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij wet van 25 juni 2009, Stb. 2009, 264, is de vierde tranche van de Awb vastgesteld. Deze wet is op 1 juli 2009 in werking getreden. Daarbij is onder meer titel 4.4 over bestuursrechtelijke geldschulden ingevoerd. Het in deze titel opgenomen artikel 4:93 bepaalt Pro dat verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts mogelijk is voor zover de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. De Memorie van Toelichting (MvT) bij deze bepaling (Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, blz. 41) vermeldt dat gezien het uiteenlopende karakter van de taken van bestuursorganen, het in algemene zin toestaan van verrekening van met die taken samenhangende geldschulden in beginsel ongewenst is. Het is om die reden van belang dat verrekening slechts kan plaatsvinden indien daarvoor in bijzondere wetgeving een voorziening is getroffen.
4.2.
In artikel 17i van de AOW is voor verrekening door de Svb van een aan een belanghebbende opgelegde bestuurlijke boete met (onder meer) een uitkering op grond van de AOW een voorziening getroffen. Bij Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013), in werking getreden op 1 juli 2013, is in artikel 17i van de AOW een tweede lid opgenomen, waarin is bepaald dat, onverminderd het eerste lid, de Svb de bestuurlijke boete kan verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, op hem heeft. Artikel 17i van de AOW is in artikel 24a van de AOW van overeenkomstige toepassing verklaard op beslissingen inzake terugvordering van onverschuldigd betaalde AOW-uitkering. Dit betekent dat voor verrekening van onder meer een verschuldigde kostenvergoeding met een vordering uit hoofde van onverschuldigd betaalde AOW-uitkering een wettelijke grondslag aanwezig is. De Raad vindt voor dit oordeel steun in de in de MvT (Kamerstukken II 2012-2013, 33556, nr. 3) op de Verzamelwet SZW 2013 onder artikel I onder onderdeel B gegeven toelichting. De wetgever heeft daar opgemerkt: “Het verrekeningsartikel van de boete, waarin het nieuwe artikellid wordt opgenomen, is van overeenkomstige toepassing verklaard op de terugvordering van de onverschuldigde betaling, zodat een aan een belanghebbende toekomende schadevergoeding of proceskostenvergoeding kan worden verrekenend met een uitkering of toeslag van het bestuursorgaan, een uitkering of toeslag van een ander bestuursorgaan of een opgelegde boete.”
4.3.
Evenals de rechtbank wordt dan ook geoordeeld dat in artikel 24a van de AOW een wettelijke grondslag kan worden gevonden voor de verrekening van de proceskosten en het griffierecht met de openstaande vordering uit onverschuldigde betaling die de Svb op appellant heeft.
4.4.
Het betoog van appellant dat de Svb de kosten van vergoeding voor rechtsbijstand niet had mogen verrekenen met de openstaande vordering omdat aan appellant een toevoeging was verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, slaagt evenmin. Hiervoor wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 8 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4256, in welke uitspraak is geoordeeld dat de verrekening tussen het bestuursorgaan en de betrokkene feitelijk voorgaat op de betaling aan een derde, te weten de rechtshulpverlener. In aanvulling hierop wordt nog gewezen op de reactie van de Raad voor de Rechtsbijstand in het Advocatenblad van 30 juni 2017 naar aanleiding van het artikel “Slecht procederen is lonend bij toevoegingen”, met betrekking tot het in deze gevallen gevoerde beleid.
4.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Svb bevoegd was om de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht te verrekenen met de vordering op appellant uit onverschuldigd betaald AOW-pensioen. De rechtbank heeft het beroep van appellant terecht ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2019.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) H. Achtot
ew