ECLI:NL:CRVB:2019:2851
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening proceskostenvergoeding met onverschuldigde AOW-vordering door Sociale Verzekeringsbank
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarin de Svb de proceskostenvergoeding en het griffierecht verrekent met een nog openstaande vordering wegens onverschuldigde AOW-betalingen.
De Svb had eerder aan appellant een boete en terugvordering opgelegd wegens onverschuldigde betalingen. De rechtbank had het bezwaar deels vernietigd en de Svb veroordeeld tot een proceskostenvergoeding. De Svb besloot deze vergoeding niet uit te betalen, maar te verrekenen met de openstaande vordering. Appellant betoogde dat hiervoor geen wettelijke grondslag bestond en dat de vergoeding aan zijn rechtsbijstandverlener betaald moest worden.
De Raad oordeelt dat artikel 24a van de AOW een wettelijke grondslag biedt voor deze verrekening, mede op grond van de wijziging in artikel 17i AOW en de toelichting daarbij. Ook het argument dat de vergoeding aan de rechtsbijstandverlener betaald moet worden, faalt omdat de verrekening feitelijk voorgaat op betaling aan derden.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Sociale Verzekeringsbank proceskosten en griffierecht mag verrekenen met de openstaande vordering uit onverschuldigde AOW-betalingen.