Appellant, geboren in 1950 en met de Duitse nationaliteit, heeft op 12 november 2015 een AOW-pensioen aangevraagd. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem aanvankelijk 32% van het maximale pensioen toe, maar na bezwaar werd dit verhoogd naar 44%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in meer perioden als verzekerde op grond van de AOW moet worden aangemerkt dan de Svb had aangenomen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij op grond van wonen en werken in meer periodes verzekerd was dan door de Svb erkend. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde dat de bewijslast voor de feiten die tot het pensioen leiden, bij de aanvrager ligt, zeker wanneer deze feiten binnen zijn invloedsfeer liggen.
De Raad constateerde dat appellant met zijn gedetailleerde uiteenzetting van werk- en woontijdvakken niet op een objectiveerbare en controleerbare wijze heeft onderbouwd dat hij in meer periodes als verzekerde moet worden aangemerkt. De Raad onderschreef daarmee het oordeel van de rechtbank en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 29 augustus 2019 door de Centrale Raad van Beroep.