ECLI:NL:CRVB:2019:2859
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende medische gegevens bij laattijdige aanvraag
Appellant, geboren in 1972, diende op 18 februari 2016 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees deze aanvraag op 28 juli 2016 af, omdat appellant momenteel geen arbeidsvermogen heeft, maar dit in de toekomst mogelijk wel kan verkrijgen. Na bezwaar verklaarde het Uwv het bezwaar ongegrond op 20 december 2016, mede gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts waarin werd geconcludeerd dat onvoldoende medische gegevens beschikbaar zijn over de belastbaarheid van appellant rond zijn zeventiende en achttiende levensjaar.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. De rechtbank stelde vast dat de verzekeringsartsen voldoende hadden gemotiveerd dat de belastbaarheid en beperkingen van appellant in de relevante periode niet konden worden vastgesteld vanwege het ontbreken van medische gegevens. Hoewel uit een psychologisch rapport uit 2010 een vermoeden van een antisociale persoonlijkheidsstoornis bestond die mogelijk al voor het zeventiende jaar was ontstaan, kon de ernst en aard hiervan niet nauwkeurig worden vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere stellingen, waaronder dat de gevolgen van een laattijdige aanvraag niet voor zijn rekening en risico zouden moeten komen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat onvoldoende concrete medische informatie beschikbaar is en dat de bewijslast bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager ligt. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag voor een Wajong-uitkering wordt afgewezen vanwege onvoldoende medische informatie over de belastbaarheid rond het zeventiende en achttiende levensjaar.