ECLI:NL:CRVB:2019:2897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens vermogen en inkomsten
Appellant ontving bijstand van april 2014 tot oktober 2017. Het college stelde vast dat appellant sinds juni 2017 een auto op zijn naam heeft staan met een waarde die de vermogensgrens overschrijdt, en dat er kasstortingen en extra inkomsten uit arbeid waren die niet waren opgegeven.
Het college herzag en trok de bijstand in voor de periode waarin appellant vermogen boven de grens had en vorderde de onterecht ontvangen bijstand terug. Appellant voerde aan dat de auto niet zijn eigendom was en dat de waarde te hoog was vastgesteld, en dat kasstortingen eigen geld betroffen.
De Raad oordeelde dat het kentekenbewijs de veronderstelling van eigendom rechtvaardigt, appellant heeft onvoldoende bewijs geleverd dat de auto niet zijn vermogen vormt, en dat de waarde van de auto terecht is vastgesteld op basis van de ANWB/BOVAG koerslijst. Kasstortingen zijn terecht als inkomen aangemerkt omdat appellant deze niet met verifieerbare gegevens heeft onderbouwd.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstand bevestigd.