Uitspraak
16.74 WIA, 19/2890 WIA
OVERWEGINGEN
(Wet WIA) gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
hogerberoepschrift en de aanwezigheid op de zitting. Voor de reactie op het deskundigenrapport wordt 0,5 punt toegekend.
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen een besluit van het UWV over een loongerelateerde WIA-uitkering. Na een tussenuitspraak heeft het UWV op 3 juni 2019 een nieuw besluit genomen waarin volledig aan de bezwaren van appellante is voldaan, waardoor het feitelijke geschil is komen te vervallen.
Omdat appellante het hoger beroep niet heeft ingetrokken, verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang. Appellante heeft daarnaast een verzoek ingediend tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Raad beoordeelt dat de totale procedure van ontvangst bezwaarschrift tot uitspraak ruim vier jaar en negen maanden heeft geduurd, wat negen maanden langer is dan de in jurisprudentie gehanteerde redelijke termijn van vier jaar. Dit leidt tot een schadevergoeding van €1.000, die de Staat wordt opgelegd te betalen.
Verder veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante voor bezwaar, beroep en hoger beroep, en de Staat in de kosten verband houdend met het verzoek om schadevergoeding. Het griffierecht dat appellante in beroep en hoger beroep heeft betaald wordt eveneens vergoed.
De uitspraak is gedaan door R.E. Bakker en uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en appellante ontvangt een schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.