ECLI:NL:CRVB:2019:292
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW-toeslag wegens te hoog inkomen partner
Appellant ontvangt sinds oktober 2006 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij onderzoek in 2015 bleek dat appellant sinds januari 2013 samenwoont met een jongere partner die een WAO-uitkering ontvangt. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft het pensioen per februari 2013 herzien naar een pensioen voor samenwonenden en heeft een toeslag geweigerd vanwege het te hoge inkomen van de partner.
Appellant maakte bezwaar tegen deze weigering, maar de Svb handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het inkomen van de partner als overig inkomen volledig in mindering moet worden gebracht op de toeslag volgens artikel 8, eerste lid, in verbinding met artikel 11 van Pro de AOW.
In hoger beroep betoogde appellant dat de WAO-uitkering slechts gedeeltelijk in mindering zou moeten worden gebracht, maar de Raad overwoog dat artikel 11 alleen Pro een uitzondering maakt voor inkomen uit arbeid, niet voor overig inkomen. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het beroep van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de toeslag wegens het te hoge inkomen van de partner.