ECLI:NL:CRVB:2015:1598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- E.E.V. Lenos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van volledige mindering WAO-uitkering op AOW-partnertoeslag zonder discriminatie
Appellant, geboren in 1948, en zijn echtgenote, geboren in 1953 en WAO-uitkeringsgerechtigde, betwistten de volledige mindering van de WAO-uitkering op de AOW-partnertoeslag. De Sociale Verzekeringsbank had de toeslag toegekend met een volledige aftrek van de WAO-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de WAO-uitkering als overig inkomen moet worden aangemerkt en terecht in mindering is gebracht.
Appellant voerde aan dat de WAO-uitkering als inkomen uit arbeid moet worden beschouwd en dat de korting leidt tot een inkomen onder het sociaal minimum, wat discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte zou zijn. De Raad verwierp deze stellingen, verwijzend naar het discriminatieverbod in het IVBPR en het EVRM, en oordeelde dat het onderscheid gerechtvaardigd is door het motief van de wetgever om deelname aan het arbeidsproces niet te ontmoedigen.
De Raad bevestigde eerdere jurisprudentie en benadrukte dat de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte niet van toepassing is op socialezekerheidsuitkeringen. Ook werd gesteld dat het inkomen onder het sociaal minimum niet door de korting op de toeslag komt, maar door kortingen wegens niet-verzekerde jaren. De aangevallen uitspraak werd daarmee bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering terecht volledig in mindering wordt gebracht op de AOW-partnertoeslag zonder sprake van discriminatie.