Appellant ontving een WW-uitkering en vroeg toestemming aan het UWV om gebruik te maken van de startperiode voor zelfstandigen, bedoeld om te onderzoeken of hij een eigen bedrijf kon starten. Het UWV verleende aanvankelijk toestemming voor een korte onderzoeksperiode, maar weigerde later toestemming voor de startperiode omdat appellant nog gedeeltelijk in loondienst werkzaam was.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het UWV een interne werkinstructie hanteert die vereist dat een werknemer zich volledig op zelfstandige werkzaamheden richt om in zijn bestaan te kunnen voorzien. Appellant stelde dat deze uitleg niet strookt met de bedoeling van de wetgever en dat hij hierdoor werd gediscrimineerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV de juiste uitleg geeft aan artikel 77a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. De wet vereist dat de werknemer zich volledig richt op zelfstandige werkzaamheden om uit de WW te kunnen uitstappen. Het combineren van zelfstandige werkzaamheden met loondienst is niet verenigbaar met de uitgangspunten van de startperiode. De Raad bevestigt daarom het oordeel dat het UWV terecht toestemming heeft geweigerd en wijst de klachten van appellant over discriminatie en kostenveroordeling af.