ECLI:NL:CRVB:2019:2935

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 september 2019
Publicatiedatum
9 september 2019
Zaaknummer
18/808 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet melden op geld waardeerbare activiteiten

In deze zaak gaat het om de intrekking van bijstand met ingang van 20 september 2011 en de terugvordering van kosten van bijstand over de periode tot en met 31 januari 2017, ter hoogte van € 84.814,37. Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen stelde dat appellant op geld waardeerbare activiteiten verrichtte door namens zijn vriendin handelsactiviteiten te ondersteunen via advertenties op marktplaats.nl, waarbij hij contactgegevens verstrekte, betalingen ontving en doorgaf.

Appellant erkende deze activiteiten maar stelde dat hij geen inkomsten genoot omdat de handelsactiviteiten voor rekening en risico van zijn vriendin waren. De Raad oordeelde echter dat het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten relevant is voor het recht op bijstand, ongeacht de intentie of het daadwerkelijk genieten van inkomsten. Appellant had zijn inlichtingenplicht geschonden door deze activiteiten niet te melden.

Omdat de omvang van de activiteiten niet vast te stellen was, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het college was daarom verplicht de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De stelling van appellant dat de terugvordering niet in verhouding staat tot zijn rol en zijn financiële omstandigheden waren onvoldoende om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering van € 84.814,37 wegens niet melden van op geld waardeerbare activiteiten wordt bevestigd.

Uitspraak

18.808 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 februari 2018, 17/3115 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)
Datum uitspraak: 3 september 2019
Zitting hebben: mr. G.M.G. Hink als voorzitter en mr. P.W. van Straalen en C. van Viegen als leden.
Griffier: S.H.H. Slaats.
Voor appellant is verschenen mr. R.J.M.C.I. Janischka. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.C.J. Woltering.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de intrekking van bijstand met ingang van 20 september 2011 en de terugvordering van kosten van bijstand over de periode van 20 september 2011 tot en met 31 januari 2017 tot een bedrag van € 84.814,37.
Aan het in hoger beroep bestreden besluit heeft het college - voor zover hier van belang - ten grondslag gelegd dat appellant op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Appellant plaatste ten behoeve van de handelsactiviteiten van zijn vriendin advertenties op onder andere de website marktplaats.nl. Daarbij stonden onder contactgegevens de gegevens van appellant vermeld. Kopers konden gekochte spullen bij appellant thuis afhalen, hij nam gelden in ontvangst en droeg die gelden af aan zijn vriendin.
Deze activiteiten zijn op geld waardeerbaar en appellant heeft - zo is niet in geschil - zijn inlichtingenverplichting geschonden door daarvan geen melding te maken. Dat is niet anders omdat appellant stelt geen inkomsten uit de activiteiten te hebben genoten omdat de handelsactiviteiten voor rekening en risico van zijn vriendin werden gedreven. Volgens vaste rechtspraak is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zijn activiteiten voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn. Appellant heeft ter zitting aangevoerd dat hem van de schending van de inlichtingenverplichting geen verwijt kan worden gemaakt. Die grond slaagt niet omdat de schending van de inlichtingenverplichting een geobjectiveerd begrip is.
Omdat geen duidelijkheid bestaat over de omvang van de activiteiten die appellant heeft verricht, kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het college was daarom gehouden de bijstand in te trekken en terug te vorderen.
Geen aanleiding bestaat om de terugvordering te matigen op grond van de stelling van appellant dat de terugvordering in geen verhouding staat tot de rol die hij op zich heeft genomen. De omvang van de door appellant verrichte activiteiten kan immers niet worden vastgesteld. De gestelde financiële omstandigheden vormen voorts geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Het hoger beroep slaagt niet en daarom is er ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) S.H.H. Slaats (getekend) G.M.G. Hink