ECLI:NL:CRVB:2019:2988
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing gehuwdennorm bij minderjarige echtgenoot zonder verhoging van norm
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en gaf aan samen te wonen met een minderjarige partner die studeert. Het college kende bijstand toe op 50% van de gehuwdennorm, omdat de partner geen recht had op bijstand vanwege haar minderjarigheid. Later werd de norm aangepast in verband met de geboorte van hun dochter en het bereiken van de meerderjarigheid van de partner.
Appellant maakte bezwaar tegen de gehanteerde norm en stelde dat er zeer dringende redenen waren om volledige bijstand toe te kennen. Hij voerde aan dat zijn partner geen steun van haar ouders heeft, zij een tienermoeder is en dat de toegekende bijstand onvoldoende is om het gezin te onderhouden.
De Raad oordeelde dat er geen sprake was van een acute noodsituatie zoals vereist voor het verlenen van bijstand op grond van zeer dringende redenen. De enkele stelling dat appellant moeilijk kan rondkomen, volstaat niet om een situatie van levensbedreigende aard of blijvend ernstig letsel aan te nemen. Het college had bovendien rekening gehouden met de gezinssituatie bij het vaststellen van de norm.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de gehanteerde bijstandsnorm bevestigd.