ECLI:NL:CRVB:2019:2995

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 september 2019
Publicatiedatum
17 september 2019
Zaaknummer
18/3508 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Participatiewet
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende duidelijkheid over verblijfplaatsen

Appellant diende op 4 april 2017 een aanvraag om bijstand in en gaf daarbij een postadres op van een maatschappelijke opvang die alleen dagopvang biedt. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verzocht appellant om een overzicht van zijn verblijfplaatsen vanaf 23 februari 2017, maar appellant vulde de formulieren niet volledig in. Hierdoor kon het college het recht op bijstand niet vaststellen en wees de aanvraag af.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college de betaling van de bijstand had moeten opschorten in plaats van afwijzen, maar deze grond faalde omdat de situatie niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 40, tweede lid, van de Participatiewet.

De Raad benadrukte dat de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij de aanvrager ligt en dat ook dak- of thuislozen controleerbare gegevens over hun verblijfplaats moeten verstrekken. Omdat appellant niet aan deze inlichtingenplicht voldeed, werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de feitelijke verblijfplaatsen van appellant.

Uitspraak

18.3508 PW

Datum uitspraak: 17 september 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
23 mei 2018, 17/6930 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.C. Scheermeijer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2019. Namens appellant is verschenen mr. Scheermeijer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.A. Karreman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft zich op 23 februari 2017 gemeld voor het indienen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) en heeft op 4 april 2017 een aanvraag ingediend. Daarbij heeft appellant een postadres opgegeven. Dat is het adres van de [naam Stichting] , een instelling voor maatschappelijke opvang die uitsluitend voorziet in dagopvang. Het college heeft appellant bij brief van 20 april 2017 onder meer verzocht om met gebruikmaking van de “formulieren voor personen met wisselende verblijfplaats” een overzicht te verstrekken van zijn verblijfplaatsen vanaf 23 februari 2017. Appellant heeft die formulieren niet volledig ingevuld. Bij besluit van 5 mei 2017 heeft het college appellant een voorschot verstrekt van € 600,20.
1.2.
Bij besluiten van 11 mei 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 november 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen en het voorschot teruggevorderd. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant de inlichtingenverplichting niet naar behoren is nagekomen, omdat hij onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke verblijfplaatsen vanaf 23 februari 2017. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 23 februari 2017, de datum van de melding, tot en met 11 mei 2017, de datum van het afwijzingsbesluit.
4.2.
Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient onder meer de nodige duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en verblijfplaats. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:15) kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.3.
Vaststaat dat appellant de “formulieren voor personen met wisselende verblijfplaats” niet volledig heeft ingevuld en daarmee geen volledige opgave heeft gedaan van zijn feitelijke verblijfplaatsen. Ook in de bezwaarfase heeft appellant, hoewel daar door het college bij brief van 11 oktober 2017 expliciet om was verzocht, geen nadere informatie verschaft over zijn feitelijke verblijfplaatsen.
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat het college ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen. Volgens appellant had het college met toepassing van artikel 40, tweede lid, van de PW de betaling van de bijstand moeten opschorten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens artikel 40, tweede lid, van de PW, schort het college de betaling van de bijstand op, indien bij de beoordeling van het recht op bijstand blijkt dat het door een belanghebbende verstrekte adres van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de basisregistratie personen is ingeschreven. Hiervan is in het geval van appellant geen sprake.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2019.
(getekend) A. Stehouwer
De griffier is verhinderd te ondertekenen.