ECLI:NL:CRVB:2019:3007
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkeringsrecht bij vermeende toename arbeidsongeschiktheid na 2010
Appellant, voormalig touringcarchauffeur, werd sinds 2001 arbeidsongeschikt bevonden vanwege chronische lage rugklachten en gevoelloosheid in het rechterbeen. Na emigratie naar Oostenrijk en later Duitsland, vroeg hij in 2014 een WIA-uitkering aan wegens vermeende toename van arbeidsongeschiktheid. Het UWV baseerde zijn afwijzing op medische rapporten van Duitse artsen en verzekeringsartsen, die concludeerden dat er geen toename was van beperkingen uit dezelfde oorzaak als voor 2010.
Appellant betwistte dit, onderbouwde zijn standpunt met medische verklaringen en stelde dat het UWV niet op Duitse rapporten had mogen steunen maar zelf onderzoek had moeten verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad bevestigde dit oordeel, stellende dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat de Duitse rapporten een gedegen basis vormden.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden en kende appellant een schadevergoeding van €1.000 toe. De Staat werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten van €256. De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige medische beoordeling en het recht op vergoeding bij overschrijding van redelijke termijnen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd; de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.