ECLI:NL:CRVB:2019:3040
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid functies en vertrouwensbeginsel bij ziekengeld na eerste ziektejaar
Appellant was stukadoor en meldde zich ziek met been- en nekklachten. Het UWV stelde vast dat hij met beperkingen nog 66-68% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde het recht op ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij medische en arbeidskundige rapporten werden herzien, maar de beperkingen en geschiktheid voor geselecteerde functies bleven overeind.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel dat appellant stelde op basis van een vermeende toezegging over het maatmaninkomen. Appellant voerde in hoger beroep geen nieuwe gronden aan, maar verwees naar medische informatie van zijn neurochirurg en chirurg. De Raad concludeerde dat deze informatie niet leidde tot een ander oordeel omdat de klachten op de datum van het besluit niet aantoonbaar waren.
De Raad onderschreef het oordeel dat appellant medisch geschikt is voor de geselecteerde functies, ook met de noodzakelijke afwisseling in houding. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen vanwege het ontbreken van een ondubbelzinnige toezegging. Tegen de tweede aangevallen uitspraak werden geen zelfstandige grieven ingebracht. De Raad bevestigde beide uitspraken en wees proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant medisch geschikt is voor de geselecteerde functies en wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af, waardoor het recht op ziekengeld wordt beëindigd.