ECLI:NL:CRVB:2019:3086

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 september 2019
Publicatiedatum
26 september 2019
Zaaknummer
19/765 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing indicatie voor 24-uurszorg op grond van de Wet langdurige zorg bevestigd

Appellante, bekend met diverse gezondheidsproblemen waaronder een angststoornis en artrose, vroeg op 4 juli 2017 een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) aan. Het CIZ wees deze aanvraag op 19 oktober 2017 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 14 juni 2018, mede gebaseerd op een medisch advies waarin werd geconcludeerd dat er geen noodzaak is voor 24-uurszorg in de nabijheid.

De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De rechtbank achtte het medisch advies betrouwbaar en vond de aangeleverde medische stukken onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. De door appellante overgelegde brieven van zorgverleners wezen op ambulante ondersteuning, niet op 24-uurszorg.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de medische stukken niet goed waren onderzocht en dat zij wel degelijk hulp nodig had. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de medische informatie voldoende was. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan het oordeel dat geen noodzaak bestaat voor 24-uurszorg om ernstig nadeel te voorkomen.

De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag voor een indicatie voor 24-uurszorg op grond van de Wlz is terecht afgewezen en het hoger beroep wordt verworpen.

Uitspraak

19.765 WLZ

Datum uitspraak: 25 september 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
3 januari 2019, 18/3145 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ

PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2019. Appellante is verschenen, vergezeld van haar echtgenoot [naam echtgenoot]. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood en mr. S.M. Kersjes-van Bussel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren in 1956, is bekend met een angststoornis, een persoonlijkheidsstoornis, artrose, darmklachten en astma. Op 4 juli 2017 heeft appellante een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) aangevraagd. CIZ heeft bij besluit van 19 oktober 2017 deze aanvraag afgewezen.
1.2.
CIZ heeft bij besluit van 14 juni 2018 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 oktober 2017 ongegrond verklaard. CIZ heeft daaraan het medisch advies van 21 februari 2018 van medisch adviseur D. van der Geest van CIZ ten grondslag gelegd. Uit dit medisch advies volgt dat bij appellante de grondslag somatiek kan worden vastgesteld en dat er ook los van de grondslag geen medische redenen zijn voor een blijvende noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen. CIZ heeft zich op grond van het advies van de medisch adviseur op het standpunt gesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wlz.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De medisch adviseur van CIZ heeft een eigen onderzoek uitgevoerd en niet is gebleken dat hij over onvoldoende (medische) informatie heeft beschikt voordat hij tot zijn conclusie is gekomen. Verder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien aan de conclusie van de medisch adviseur te twijfelen. Op inzichtelijke en navolgbare wijze is gemotiveerd waarom in het geval van appellante de grondslag somatiek kan worden vastgesteld en waarom er geen sprake is van een noodzaak van 24 uur zorg in de nabijheid. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de behandelend
GZ-psycholoog in een brief aan de huisarts heeft bericht dat 24-uurszorg niet nodig is. De door appellante overgelegde brief van de arts voor verstandelijk gehandicapten en de psycholoog, beiden werkzaam bij [naam organisatie], heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. Hierin is immers geconcludeerd dat appellante baat zou hebben bij structurele professionele ambulante ondersteuning om haar leven te ordenen en haar te ondersteunen bij zowel administratieve als huishoudelijke taken en het nemen van beslissingen op het gebied van haar gezondheid. Deze aanbevolen zorg is van andere aard en omvang dan de noodzaak van 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de medische stukken niet goed zijn onderzocht, dat zij hulp nodig heeft en dat CIZ ten onrechte niet tot een grondslag kan komen terwijl veel diagnoses zijn gesteld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de medisch adviseur van CIZ over de benodigde medische informatie beschikte. De enkele omstandigheid dat bij appellante, naar zij zegt, veel diagnoses zijn gesteld, maakt niet dat appellante is aangewezen op de noodzaak van 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische stukken ingebracht die kunnen doen twijfelen aan de conclusie die de medisch adviseur uit zijn onderzoek heeft getrokken.
4.2.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en R.M. van Male en A.T. Marseille als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2019.
(getekend) L.M. Tobé
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
md