ECLI:NL:CRVB:2019:3150

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 oktober 2019
Publicatiedatum
3 oktober 2019
Zaaknummer
17/6745 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd

Appellante was sinds 1994 werkzaam als productiemedewerkster en meldde zich in 2009 arbeidsongeschikt. Na een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend te hebben gekregen, heeft het UWV in 2016 de WIA-uitkering beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, stellende dat haar lichamelijke en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen, waaronder een angst- en paniekstoornis, depressiviteit en lichte verstandelijke beperking.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De verzekeringsartsen hadden zorgvuldig onderzoek verricht en de medische gegevens van appellante meegewogen. De Raad oordeelde dat de ingebrachte medische informatie geen aanleiding gaf tot een andere beoordeling. Ook de arbeidskundige beoordeling van het UWV, waaronder de geschiktheid van geselecteerde functies en het opleidingsniveau, werd door de Raad onderschreven.

De Raad benadrukte dat het opleidingsniveau 2 ook kan worden bereikt door een combinatie van opleiding en werkervaring, wat bij appellante het geval was. De stelling dat zij niet over computervaardigheden beschikt, werd door de rechtbank en Raad verworpen. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering per 15 december 2016.

Uitkomst: De WIA-uitkering van appellante is terecht beëindigd per 15 december 2016 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

17.6745 WIA

Datum uitspraak: 3 oktober 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 augustus 2017, 16/9407 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.F.A. Cadot, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Cadot en [naam]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is vanaf 1994 tot 1 januari 2009 werkzaam geweest als productiemedewerkster. Op 13 maart 2009 meldde zij zich arbeidsongeschikt voor dit werk. Zij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 11 maart 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. In het kader van een herbeoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 juli 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 11,15% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Bij besluit van 9 maart 2016 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante beëindigd met ingang van 10 mei 2016, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 13 januari 2017 (bestreden besluit) in zoverre gegrond verklaard, dat de WIA-uitkering niet per 10 mei 2016 maar per 15 december 2016 wordt beëindigd omdat tijdens de bezwaarfase nieuwe functies zijn geselecteerd, in verband waarmee een nieuwe uitlooptermijn in acht is genomen.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante – voor zover hier van belang – tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar lichamelijke en psychische klachten. Appellante acht zich meer beperkt. Zij kampt met een angst- en paniekstoornis en daarmee aanverwante klachten zoals depressiviteit en er is sprake van lichte zwakzinnigheid. In 2013 is er tijdelijk enige verbetering van de psychische klachten geweest, echter er is sprake van een wankel evenwicht. Appellante wordt intensief begeleid. Appellante heeft ter ondersteuning van haar standpunt gewezen op de brieven van 26 oktober 2018 en van 16 november 2018 van dr. J.L.M. Schoneveld, reumatoloog, het verslag van C. Korst, gedragsdeskundige SDW van 6 november 2018, een brief van
4 december 2018 van R.J. Brandwijk, revalidatiearts, een brief van S.A. van Dort, GGZ‑agoog van 10 juli 2019 en een brief van 14 februari 2006 van J.H.L.M. van Groenendael, reumatoloog. De geselecteerde functies zijn niet passend omdat deze een werk en denkniveau vereisen waarover appellante niet beschikt. Appellante meent dat dient te worden uitgegaan van opleidingsniveau 1 in plaats van opleidingsniveau 2.
3.2.
Het Uwv heeft, mede onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 augustus 2019, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de WIA-uitkering van appellante met ingang van
15 december 2016 terecht heeft beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
4.3.
De rechtbank heeft met juistheid de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De verzekeringsartsen hebben zorgvuldig onderzoek verricht en de informatie van de behandelend sector kenbaar in hun beoordeling meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 8 augustus 2019, met verwijzing naar zijn in de bezwaar- en beroepsfase uitgebrachte rapporten de door appellante ingezonden informatie besproken en nogmaals toegelicht dat die informatie geen nieuwe objectief medische gegevens bevat, dat de psycholoog heeft vermeld dat sprake is van een lichte verstandelijke beperking en dat over de resultaten van de IQ-test eerder is vermeld dat deze niet overeenkomen met wat appellante in het verleden heeft gedaan. De Raad is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd waarom de door appellante in beroep en in hoger beroep ingebrachte medische informatie geen aanleiding geeft om meer beperkingen aan te nemen. De lichte verstandelijke beperking is door de verzekeringsartsen ook bij het beoordelen van de beperkingen van appellante betrokken. De ingebrachte informatie in hoger beroep biedt dan ook geen aanknopingspunten voor twijfel aan de beoordeling door het Uwv ten tijde hier in geding.
4.4.
Het oordeel en de overwegingen van de rechtbank betreffende de arbeidskundige beoordeling van het bestreden besluit worden eveneens onderschreven. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. Wat betreft de bezwaren tegen het opleidingsniveau van de geselecteerde functies wijst de Raad erop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:630) opleidingsniveau 2 veronderstelt dat een betrokkene basisonderwijs heeft voltooid, dan wel daarmee op een lijn te stellen werkervaring heeft opgebouwd, waarbij het niet relevant is of het onderwijs in Nederland of in het buitenland is gevolgd. Een betrokkene kan dus aan een bepaald opleidingsniveau voldoen door een combinatie van opleiding en werkervaring. In dit verband is niet zonder betekenis dat appellante bij haar voormalige werkgever meer dan tien jaar in dienst is geweest en tevens dat zij in staat is geweest haar rijbewijs te behalen. De rechtbank heeft de stelling van appellante dat zij niet beschikt over computervaardigheden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze grond niet slaagt.
4.5.
Uit 4.3 en 4.4 volgt dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het Uwv de WIA‑uitkering met ingang van 15 december 2016 terecht heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal voor zover aangevochten worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2019.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) M. Graveland

TM