ECLI:NL:CRVB:2019:3150
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was sinds 1994 werkzaam als productiemedewerkster en meldde zich in 2009 arbeidsongeschikt. Na een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend te hebben gekregen, heeft het UWV in 2016 de WIA-uitkering beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, stellende dat haar lichamelijke en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen, waaronder een angst- en paniekstoornis, depressiviteit en lichte verstandelijke beperking.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De verzekeringsartsen hadden zorgvuldig onderzoek verricht en de medische gegevens van appellante meegewogen. De Raad oordeelde dat de ingebrachte medische informatie geen aanleiding gaf tot een andere beoordeling. Ook de arbeidskundige beoordeling van het UWV, waaronder de geschiktheid van geselecteerde functies en het opleidingsniveau, werd door de Raad onderschreven.
De Raad benadrukte dat het opleidingsniveau 2 ook kan worden bereikt door een combinatie van opleiding en werkervaring, wat bij appellante het geval was. De stelling dat zij niet over computervaardigheden beschikt, werd door de rechtbank en Raad verworpen. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering per 15 december 2016.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellante is terecht beëindigd per 15 december 2016 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.