ECLI:NL:CRVB:2019:3152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding bij meerderjarige kinderen in IOAW
Appellante ontving sinds 2015 een IOAW-uitkering als alleenstaande werkloze. Na ontruiming van haar woning in maart 2017 trok het dagelijks bestuur haar uitkering in omdat zij was ingetrokken bij haar ex-partner, met wie zij drie meerderjarige kinderen heeft. Het dagelijks bestuur stelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en paste het onweerlegbare rechtsvermoeden van artikel 3 lid 4 sub b IOAW Pro toe.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante haar hoofdverblijf had bij haar ex-partner. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het rechtsvermoeden niet van toepassing was omdat haar kinderen meerderjarig zijn en dat sprake was van tijdelijke noodopvang, maar de Raad verwierp deze gronden.
De Raad volgde het arrest van de Hoge Raad van 2009 dat het rechtsvermoeden niet beperkt is tot minderjarige kinderen en dat het begrip 'kind' in dit verband eenduidig moet worden uitgelegd zonder leeftijdsgrens. Ook is geen ruimte voor maatwerk bij toepassing van dit onweerlegbare rechtsvermoeden. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de IOAW-uitkering bevestigd.