ECLI:NL:PHR:2009:BH2580
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding bij ex-gehuwden met kinderen in bijstand
Belanghebbende, een ex-gehuwde met drie kinderen, ontving bijstand als alleenstaande. Toen haar ex-echtgenoot als kostganger bij haar introk, trok het Dagelijks Bestuur haar bijstand in op grond van het vermoeden van gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, lid 4, Wwb. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep bij de Rechtbank en later bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB). De Rechtbank verwierp haar beroep, maar de CRvB verklaarde het hoger beroep gegrond en oordeelde dat het rechtsvermoeden in strijd was met artikel 26 IVBPR Pro omdat het geen temporele beperking kent.
De Hoge Raad beoordeelde het rechtsvermoeden in artikel 3, lid 4, onderdeel b, Wwb, dat stelt dat ex-gehuwden die samenwonen en uit wier relatie een kind is geboren, onweerlegbaar een gezamenlijke huishouding voeren. De Raad concludeerde dat dit rechtsvermoeden letterlijk moet worden uitgelegd zonder leeftijds- of verzorgingscriteria voor het kind. De wetgever heeft bewust gekozen voor een ruime toepassing om fraudegevoeligheid te beperken. Het onderscheid tussen ex-gehuwden met en zonder kinderen is gerechtvaardigd vanwege de levenslange verbondenheid door het ouderschap.
De Hoge Raad verwierp het oordeel van de CRvB dat het rechtsvermoeden strijdig is met artikel 26 IVBPR Pro en bevestigde dat het rechtsvermoeden ook geldt als het kind meerderjarig is of niet meer in het huishouden woont. Tevens wees de Raad op het onweerlegbare rechtsvermoeden in onderdeel a voor ex-gehuwden die binnen twee jaar voor de aanvraag als gehuwd zijn aangemerkt, waarvan de temporele beperking door de CRvB als discriminerend werd beschouwd. De Hoge Raad achtte het onderscheid in onderdeel b niet discriminerend en handhaafde het rechtsvermoeden zoals geformuleerd.
Uitkomst: Het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding voor ex-gehuwden met kinderen geldt zonder leeftijdsbeperking en is niet in strijd met artikel 26 IVBPR.