ECLI:NL:CRVB:2006:AV7784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering IOAW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding ex-echtgenoten
Appellant, gescheiden van zijn eerste echtgenote sinds 1986, vroeg een IOAW-uitkering aan na het bereiken van de maximale duur van zijn WW-uitkering. Gedaagde wees de uitkering af op grond van het bestaan van een gezamenlijke huishouding met zijn ex-echtgenote, gebaseerd op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Ioaw.
De Raad oordeelt dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding niet zonder meer kan worden toegepast bij ex-gehuwden die langer dan twee jaar gescheiden zijn, conform eerdere jurisprudentie en in lijn met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Tevens was niet voldaan aan het criterium van een zelfstandige woning met eigen toegang en wederzijdse verzorging.
Verder ontbrak een wettelijke grondslag om het bestaan van een gezamenlijke huishouding aan te nemen op basis van een registratie volgens het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998. De Raad vernietigt het bestreden besluit en beveelt gedaagde een nieuw besluit te nemen, waarbij tevens de proceskosten aan appellant worden toegekend.
Uitkomst: Het besluit van 12 juli 2004 tot weigering van de IOAW-uitkering wordt vernietigd en gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.