Appellante, geboren in 1930 en verblijvend in een Wlz-instelling met een ZZP 2 VV indicatie, vroeg bij het college een maatwerkvoorziening voor wasverzorging aan op grond van de Wmo 2015. Het college wees dit af op grond van artikel 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015, omdat appellante aanspraak heeft op verblijf en zorg in een instelling volgens de Wlz.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het college niet verplicht is een maatwerkvoorziening te verstrekken aan personen met een verblijfsindicatie op grond van de Wlz. Appellante voerde in hoger beroep onder meer vooringenomenheid aan en betwistte de uitleg van de toepasselijke wetsartikelen.
De Raad oordeelt dat er geen sprake is van vooringenomenheid bij het college. De Raad bevestigt dat appellante valt onder het tweede lid van artikel 11.1.1 Wlz en dat het college op grond van artikel 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015 niet verplicht is maar wel bevoegd is een maatwerkvoorziening te verstrekken. Het college heeft een ruime beoordelingsvrijheid, maar heeft zich niet laten vertegenwoordigen bij de zitting en heeft onvoldoende gemotiveerd dat de belangenafweging heeft plaatsgevonden.
Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en herroept het besluit van 4 oktober 2016. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat appellante vanaf 2 september 2016 recht heeft op een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden, bestaande uit wasverzorging, met inachtneming van de vergoeding van de instelling en eventuele bijdrage. Het college wordt verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden.