ECLI:NL:CRVB:2019:3201
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht om een WIA-uitkering, maar het UWV wees dit af omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Oost-Brabant oordeelde eerder in het nadeel van appellant. De Centrale Raad van Beroep deed op 19 juni 2019 een tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig was omdat appellant niet in beslotenheid was onderzocht.
Naar aanleiding daarvan voerde het UWV een aanvullend medisch onderzoek uit op 15 juli 2019. De verzekeringsarts concludeerde dat de beperkingen van appellant licht waren toegenomen, maar passend bij de klachten en dat er geen reden was voor aanvullende beperkingen. Appellant betwistte dit en stelde dat zijn klachten aan de rechterzijde waren afgenomen, wat volgens hem duidde op een grotere beperking in 2016.
De Raad oordeelde dat het aanvullend onderzoek het gebrek in het oorspronkelijke besluit herstelde en dat het UWV de beperkingen correct had ingeschat. Een verzoek van appellant om benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen omdat hij voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunt te onderbouwen met een eigen expertise.
Uiteindelijk vernietigde de Raad de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond, waarbij het besluit van 3 november 2016 werd vernietigd wegens strijd met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de Awb. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt vernietigd, met in stand blijvende rechtsgevolgen.