ECLI:NL:CRVB:2019:1991
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek bij beëindiging WIA-uitkering
Appellant, die zich in 2012 ziek meldde wegens gewrichtsklachten, kreeg aanvankelijk een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 49,39%. Latere besluiten van het UWV stelden dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor de uitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond, waarbij werd aangenomen dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, omdat er geen volwaardig lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden en de bevindingen van een eerder belastbaarheidsonderzoek niet waren meegenomen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet volledig en onvoldoende zorgvuldig was, omdat de arts zich beperkte tot observaties tijdens een hoorzitting en geen onderzoek in een spreekkamer heeft verricht.
De Raad stelt vast dat het bestreden besluit in strijd is met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de Algemene wet bestuursrecht. Daarom draagt de Raad het UWV op om binnen zes weken de gebreken in het besluit te herstellen, zodat een zorgvuldige en op de individuele situatie toegesneden beoordeling kan plaatsvinden.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen zes weken de gebreken in het besluit te herstellen vanwege onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek.