ECLI:NL:CRVB:2019:3324
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- E.C.R. Schut
- M.F. Wagner
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende duidelijkheid over financiële situatie bij aanvraag bijstand Participatiewet
Betrokkene vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet na het overlijden van zijn moeder, waarbij het dagelijks bestuur de aanvraag afwees wegens onvoldoende aannemelijkheid over de wijze waarop betrokkene en zijn gezin in hun levensonderhoud voorzagen. De rechtbank vernietigde dit besluit deels en kende betrokkene bijstand toe over de periode van 7 juni 2017 tot en met 24 augustus 2017, omdat zij aannam dat betrokkene en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leefden en dat betrokkene met het gezamenlijke inkomen met zijn moeder kon rondkomen.
Het dagelijks bestuur ging in hoger beroep tegen dit oordeel en stelde dat betrokkene onvoldoende duidelijkheid had verschaft over zijn financiële situatie, met name over de kosten van voeding en persoonlijke verzorging. De Raad oordeelde dat betrokkene niet aannemelijk had gemaakt welke kosten hij daadwerkelijk maakte, dat bankafschriften geen uitgaven voor boodschappen lieten zien en dat betrokkene zijn stelling over contante geldopnames niet met verifieerbare stukken ondersteunde.
Ook de verklaring dat de verzekeraar de kosten van de begrafenisvluchten zou hebben betaald, kon niet worden bevestigd met bewijs. De Raad concludeerde dat het dagelijks bestuur terecht het besluit tot afwijzing had genomen wegens onvoldoende duidelijkheid en vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het betrof de periode 7 juni tot 24 augustus 2017, en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van het dagelijks bestuur wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd voor zover aangevochten.