ECLI:NL:CRVB:2019:3332

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2019
Publicatiedatum
23 oktober 2019
Zaaknummer
16/2382 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:45 AwbArt. 8:57 AwbArt. 7:12 AwbArt. 6:22 AwbArt. 2 Beleidsregel uurloonschatting 2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam als assistent elektrotechnische dienst, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit van het UWV vanwege onvoldoende motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen.

In hoger beroep voerde appellant aan volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn, ondersteund door neuropsychologisch onderzoek en expertiserapporten. De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die aanvullende beperkingen constateerde en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aanpaste.

De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en overtuigend was en volgde de aangepaste FML. De arbeidsdeskundige selecteerde passende functies waaruit bleek dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt bleef. Appellants bezwaren tegen de functies en uurlonen werden niet gegrond verklaard.

De Raad concludeerde dat het bestreden besluit ondanks eerdere motiveringsgebreken in stand kon blijven omdat de belangen van appellant niet werden geschaad. Het hoger beroep werd afgewezen, het verzoek tot schadevergoeding van wettelijke rente werd geweigerd, en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

16/2382 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
14 maart 2016, 15/562 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 oktober 2019
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.S. Fluit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De door de Raad als deskundige benoemde verzekeringsarts L. Greveling-Fockens heeft op 20 maart 2019 een rapport uitgebracht.
Partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid hun zienswijzen op het deskundigenrapport in te brengen.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als assistent elektrotechnische dienst. Op 13 juli 2012 heeft hij zich ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Bij besluit van 4 juni 2014 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 10 juli 2014, na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 104 weken, een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. Bij besluit van 29 december 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
1.2.
Bij tussenuitspraak van 16 oktober 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten liggen om te concluderen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep verdergaande beperkingen had moeten aannemen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het medicijngebruik van appellant wel leidt tot het aannemen van beperkingen ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico en klimmen, maar niet ten aanzien van het verdelen en behouden van de aandacht en het concentreren. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het geconstateerde gebrek is hersteld met de nadere motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 4 november 2015. In dat rapport is in voldoende mate gemotiveerd waarom het medicijngebruik van appellant niet leidt tot het aannemen van beperkingen ten aanzien van het verdelen en behouden van de aandacht en het concentreren. De rechtbank heeft het beroep, gelet op in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten, met veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant en vergoeding van griffierecht.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De beperkingen van appellant, en dan met name die in het persoonlijk en sociaal functioneren en op het gebied van werktijden, zijn onderschat. Ter onderbouwing heeft appellant een neuropsychologisch onderzoek van een GZ-psycholoog van
29 november 2015 en een expertiserapport van GZ-psycholoog M.C.J. van Rijn van
19 december 2017 overgelegd. Appellant gebruikt medicijnen van categorie 3, welke van invloed zijn op het reactievermogen. Appellant is daarom niet alleen aangewezen op werk zonder persoonlijk verhoogd risico, maar ook op werk waarin geen hoog concentratie- en reactievermogen vereist is. Appellant heeft voorts aangevoerd dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn. Appellant heeft de Raad verzocht om het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding bestaande uit de wettelijke rente.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad heeft, omdat twijfel was ontstaan over de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv, aanleiding gezien om een psychiater als deskundige te benoemen, die op
20 maart 2019 een rapport heeft uitgebracht. De deskundige kan zich niet volledig vinden in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 november 2014. Volgens de deskundige is appellant aanvullend beperkt ten aanzien van veelvuldige storingen en onderbrekingen (1.9.6), hoog handelingstempo (1.9.7), samenwerken (2.9), rechtstreeks contact met klanten (2.12.1), direct contact met patiënten of hulpbehoevenden (2.12.2) en leidinggeven (2.12.5).
4.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML op 10 april 2019 overeenkomstig het rapport van de deskundige aangepast. Appellant heeft aangegeven zich op onderdelen niet met de conclusie van de deskundige te kunnen verenigen.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft alle beschikbare medische informatie in de beoordeling betrokken. De deskundige heeft inzichtelijk gemotiveerd op welke onderdelen van de FML appellant (meer) beperkt moet worden geacht. In de door appellant aangevoerde gronden en ingebrachte medische gegevens worden geen aanknopingspunten gevonden om het standpunt van de onafhankelijke deskundige niet te volgen. De deskundige heeft inzichtelijk gemotiveerd dat de medicatie van appellant niet als bijwerking een verminderde concentratie heeft. De Raad ziet evenmin aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van de conclusies van de deskundige aangepaste FML van 10 april 2019.
4.4.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in verband met de aangepaste FML in een rapport van 15 april 2019 een aantal (deel)functies laten vervallen. Binnen de eerder geselecteerde SBC-codes heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nieuwe deelfuncties voor appellant geselecteerd. Op basis van de functies van samensteller elektrotechnische apparatuur/wikkelaar (SBC-code 267050), productiemedewerker industrie
(SBC-code 111180) en productiemedewerker metaal- en elektro-industrie (SBC-code 111171) heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum onveranderd minder dan 35% bedraagt. Het Uwv heeft inzichtelijk en overtuigend toegelicht waarom appellant ondanks de voorkomende signaleringen in deze functies in staat moet worden geacht de werkzaamheden verbonden aan die functies te verrichten. Hetgeen door appellant tegen de geselecteerde functies, onder meer op het punt van veelvuldige storingen of onderbrekingen en persoonlijk risico, is aangevoerd, berust op een interpretatie van de in die functies voorkomende belasting die niet volgt uit de functiebeschrijvingen.
4.5.
Appellant heeft aangevoerd dat nadere verificatie van de uurlonen van de geselecteerde functies aangewezen is nu binnen de geselecteerde SBC-codes sprake is van een grote variatie aan uurlonen en de thans geselecteerde deelfuncties met een hoger uurloon aanvankelijk niet binnen die SBC-codes zijn geduid.
4.6.
Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS9343) is het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en ondersteunende methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad dient in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van de in het CBBS opgenomen gegevens. Daarbij geldt dat een uitzondering op die regel aangewezen kan zijn indien een betrokkene erin slaagt om de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens van feitelijke aard voldoende gemotiveerd te bestrijden of indien de rechter zelf twijfelt aan de juistheid van deze gegevens. In dat geval kan onder toepassing van artikel 8:45 van Pro de Awb van het Uwv worden verlangd dat het door overlegging van de betreffende gegevens verificatie daarvan mogelijk maakt
(zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6390). Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft geen reden tot twijfel aan de juistheid van de in de SBC-codes vermelde uurlonen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft er op gewezen dat het niet ongebruikelijk is dat er een zekere variatie zit in de uurlonen behorende bij de verschillende functies binnen een SBC-code.
4.7.
Op basis van de thans geselecteerde SBC-codes is een reductiefactor, mede gelet op artikel 2, tweede lid, van de beleidsregel uurloonschatting 2008 (Besluit van
12 augustus 2008, Stcrt. 181, gewijzigd 13 juli 2010, Stcrt. 12828), anders dan door appellant gesteld niet aan de orde.
5.
Gelet op de gewijzigde medische en arbeidskundige motivering in hoger beroep berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Deze schending van artikel 7:12 van Pro de Awb wordt met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden door deze schending niet zijn benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden moet worden bevestigd.
6. Nu het hoger beroep niet slaagt, is voor een vergoeding van gederfde wettelijke rente geen grond.
7.
Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 768,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het beroepschrift en 0,5 punt voor schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek). Voor een veroordeling van het Uwv in de kosten van de door appellant ingeschakelde deskundige bestaat geen aanleiding, nu ter zake geen factuur is overgelegd en appellant deze kosten evenmin heeft vermeld op het op 14 juni 2019 ingediende proceskostenformulier.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente af;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 768,-;
- bepaalt dat het Uwv het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 124,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2019.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
GdJ