ECLI:NL:CRVB:2019:337
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing individuele inkomenstoeslag wegens uitzicht op inkomensverbetering
Appellanten ontvingen bijstand en appellant had verschillende oproepcontracten die per 1 maart 2015 werden beëindigd. Op 7 januari 2015 vroegen zij een individuele inkomenstoeslag aan, welke op 5 maart 2015 werd afgewezen wegens uitzicht op inkomensverbetering. De bezwaarschriftencommissie adviseerde het besluit te heroverwegen vanwege onvoldoende motivering.
Een rapportage van oktober 2015 gaf aan dat appellant gemotiveerd was, werkervaring had en binnen een jaar zonder of met minder bijstand kon werken. Het college handhaafde de afwijzing in een besluit van februari 2016. Daarnaast werd een vrijlating van 25% van de inkomsten over september 2014 tot maart 2015 toegekend, maar het verzoek om rente over de nabetaling werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad dat het college terecht had geoordeeld dat appellant uitzicht had op inkomensverbetering, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden en positieve werkhouding. Het verzoek om rente werd eveneens afgewezen omdat het bedrag tijdig was betaald.
De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af en bevestigde de eerdere uitspraak. Er was geen grond voor een veroordeling in proceskosten. De beslissing werd op 22 januari 2019 uitgesproken door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De afwijzing van de individuele inkomenstoeslag wordt bevestigd en het verzoek om rente en schadevergoeding wordt afgewezen.