Uitspraak
17 3059 PW, 17/6582 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.Gelet hierop valt niet in te zien dat het college niet een onderzoek mocht instellen naar de feitelijke woon- en leefsituatie van appellant.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand en stond ingeschreven op een uitkeringsadres, maar het college stelde na een anonieme melding en onderzoek vast dat hij daar niet woonde. Sociale rechercheurs voerden circa tachtig korte waarnemingen uit vanaf de openbare weg, gericht op de toegangsdeur en auto, en verrichtten een huisbezoek. Appellant verklaarde dat hij hoofdzakelijk bij zijn vriendin in Den Haag verbleef.
Het college trok de bijstand in vanaf 3 augustus 2015 en vorderde de kosten terug, daarnaast legde het een bestuurlijke boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, en ook in hoger beroep oordeelde de Raad dat het onderzoek rechtmatig was, de waarnemingen niet stelselmatig en de schending van de inlichtingenplicht verwijtbaar.
De Raad stelde vast dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde, dat het huisbezoek gerechtvaardigd was en dat de boete proportioneel was. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en de opgelegde boete wegens niet-wonen op het uitkeringsadres.