Appellante ontving vanaf 1995 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok deze uitkering met terugwerkende kracht in en vorderde het bedrag terug, stellende dat appellante vanaf 2006 een gezamenlijke huishouding voerde met X op het uitkeringsadres zonder dit te melden.
De Svb baseerde haar besluit op een onderzoek met dossieronderzoek, buurtonderzoek, waterverbruikgegevens en verklaringen van buurtbewoners. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante dat X zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, waardoor geen sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Raad concludeerde dat de verklaringen van buurtbewoners summier en onvoldoende concreet waren en dat het hoge waterverbruik slechts een indicatie was die niet specifiek X als inwoner aantoonde. Ook andere feiten, zoals inschrijving op het adres als briefadres en gezamenlijke aankoop van de woning, waren onvoldoende om het hoofdverblijf van X aan te tonen.
Daarom was niet aannemelijk dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de periode 2006-2014. De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg de Svb op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellante.