ECLI:NL:CRVB:2019:3448
Centrale Raad van Beroep
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om wraking wegens gebrek aan concrete feiten van vooringenomenheid
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter bij de Centrale Raad van Beroep, stellende dat deze rechter onpartijdigheid zou missen vanwege een eerdere onwelgevallige uitspraak in een zaak van verzoeker. De behandelend rechter verscheen niet bij de zitting en berustte niet in het wrakingsverzoek.
De Raad overwoog dat artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het mogelijk maakt rechters te wraken op grond van feiten en omstandigheden die de rechterlijke onpartijdigheid kunnen schaden. Echter, vaste rechtspraak leert dat het enkel doen van een onwelgevallige uitspraak in een eerdere zaak niet voldoende is om schijn van vooringenomenheid aan te nemen.
Verzoeker bracht geen concrete feiten of omstandigheden aan die een schijn van vooringenomenheid konden onderbouwen. De Raad stelde dat de juistheid van de eerdere uitspraak niet ter beoordeling stond in deze wrakingsprocedure. Er werd geen aanleiding gezien om proceskosten toe te kennen.
De Raad wees het wrakingsverzoek af en deed dit in een openbare zitting op 4 november 2019, waarbij de griffier en de voorzitter het proces-verbaal ondertekenden.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter is afgewezen wegens gebrek aan concrete feiten die vooringenomenheid aantonen.