ECLI:NL:CRVB:2019:3451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid college tot opschorten en intrekken bijstand wegens bankrekening derde
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Het college voerde een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij bankafschriften werden opgevraagd. Na ontvangst van bankafschriften bleek dat zorgtoeslag op een niet bij het college bekende bankrekening van een derde werd gestort.
Het college besloot daarop het recht op bijstand op te schorten en later in te trekken wegens het niet overleggen van bankafschriften van deze rekening. Appellante stelde dat het college niet bevoegd was deze gegevens te vragen omdat de rekening niet op haar naam stond en dat zij niet in verzuim was.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was onderzoek te doen naar relevante gegevens, waaronder bankrekeningen waarop zorgtoeslag werd ontvangen. Echter, omdat de bankafschriften van de derde rekening pas bij het opschortingsbesluit werden opgevraagd, was appellante ten tijde van dat besluit niet in verzuim. Daardoor was het opschorten en intrekken van de bijstand onrechtmatig.
De Raad vernietigde de bestreden besluiten en herstelde het recht op bijstand met ingang van 31 januari 2017. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het college was niet bevoegd tot opschorting en intrekking van de bijstand omdat appellante niet in verzuim was; besluiten zijn vernietigd en bijstand wordt hersteld.