Uitspraak
29 juni 2018, 18/174 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd opgeroepen voor een gesprek op 28 juni 2017, waarop hij niet verscheen. Het college schortte daarop de bijstand op en gaf appellant de mogelijkheid om het verzuim te herstellen door op 29 juni 2017 alsnog te verschijnen, maar ook toen verscheen appellant niet. Het college trok vervolgens de bijstand met ingang van 28 juni 2017 in.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij vanwege bedreiging ondergedoken zat en zijn post niet opende, waardoor hij niet tijdig op de oproep kon reageren. De Raad oordeelde dat het college redelijkerwijs mocht aannemen dat appellant het opschortingsbesluit tijdig had ontvangen en dat het niet openen van de post voor zijn risico kwam.
De Raad stelde vast dat appellant verwijtbaar geen gehoor had gegeven aan de oproep en dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant verwijtbaar niet is verschenen op de oproep.