Appellant was laatstelijk werkzaam als meewerkend voorman en meldde zich in december 2013 ziek met fysieke en psychische klachten. Het UWV stelde in november 2015 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. Na een staaroperatie in februari 2016 vroeg appellant herbeoordeling aan, waarna het UWV in december 2016 vaststelde dat hij volledig arbeidsongeschikt was en recht had op een WGA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het eerste besluit gegrond en vernietigde dit, maar wees het beroep tegen het tweede besluit af. In hoger beroep betoogde appellant dat zijn visusklachten waren onderschat en dat een onafhankelijke deskundige benoemd had moeten worden. Tevens stelde hij dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn herstelmogelijkheden en vroeg hij om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de medische informatie voldoende was om de beperkingen te beoordelen. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. De Raad bevestigde dat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was op 18 februari 2016 en wees het verzoek om schadevergoeding af omdat de redelijke termijn niet was overschreden.