ECLI:NL:CRVB:2019:3506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar beëindiging kinderbijslag
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om het recht op kinderbijslag te beëindigen met ingang van het derde kwartaal van 2017. Dit bezwaar werd door de Svb niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen gronden had aangevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkheid eveneens niet-ontvankelijk wegens het te laat indienen van het beroepschrift.
In hoger beroep stelde appellant dat het beroepschrift tijdig was ingediend en dat de rechtbank ten onrechte niet inhoudelijk op het geschil was ingegaan. De Raad beoordeelde dat de Svb niet aannemelijk had gemaakt dat het bestreden besluit tijdig was verzonden, waardoor het beroepschrift wel tijdig was ingediend. De eerdere uitspraak werd daarom vernietigd.
Vervolgens oordeelde de Raad dat appellant ook na verzoek geen gronden voor bezwaar had aangevoerd, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bepaalde dat de Svb het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant geen gronden voor bezwaar heeft aangevoerd.