Appellant ontving vanaf 12 oktober 2010 bijstand en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na een onderzoek naar aanleiding van vermoedens dat appellant bij zijn moeder woonde, stelde het college vast dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van € 82.488,66.
De Raad beoordeelde het bewijs, waaronder waterverbruik, gas- en elektriciteitsverbruik, afvalcontainerledigingen, pintransacties en verklaringen van buurtbewoners. Het extreem lage waterverbruik in meerdere periodes rechtvaardigde de conclusie dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. Appellant kon dit niet aannemelijk weerleggen.
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan door het college. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, en wees het hoger beroep af.