ECLI:NL:CRVB:2019:3515
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schending inlichtingenverplichting bij invordering kosten bijstand zonder toepassing beslagvrije voet
Appellante verzocht om toepassing van de beslagvrije voet bij de invordering van kosten van bijstand door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. De invordering betrof een terugvordering van kosten bijstand via beslaglegging op haar AOW-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting zoals bedoeld in artikel 60 lid 1 van Pro de Participatiewet, omdat zij geen objectieve en verifieerbare gegevens heeft verstrekt over onroerende zaken in Turkije. Haar stellingen dat de onroerende zaken om niet aan de broer van haar echtgenoot zijn overgedragen en dat zij duurzaam gescheiden leeft, waren onvoldoende onderbouwd.
De Raad verwierp het beroep en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de beslagvrije voet niet van toepassing is bij de invordering van de kosten van bijstand, omdat de inlichtingenverplichting is geschonden. Appellante kon ook niet aannemelijk maken dat zij tevergeefs heeft geprobeerd informatie op te vragen bij de Turkse openbare registers.
De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beslagvrije voet blijft buiten toepassing wegens schending van de inlichtingenverplichting.